Mijn speech … voor de Lierenaars!

Mijn waarde dames en heren van het Lierse Stadhuis, zoals ik jullie gezamenlijk op de blog van mijn website graag omschrijf,  beste aanwezigen hier allen te samen, een goede avond.

Geachte heer Burgemeester, geachte schepenen, u nodigt een auteur uit voor een jubelmoment in uw eigen Stadhuis. U weet dat een auteur een kunstenaar is. U weet dat kunstenaars doorgaans niet hoog oplopen met mainstream-gedachten. U weet dat een auteur een kunstenaar is die met woorden speelt, die geen blad voor zijn mond neemt. U weet dan toch dat u met vuur speelt, wanneer u zulk een sujet op uw schone parket toelaat?

Maar ik zal u gerust stellen, ik zal mild zijn deze avond. Al moet het gezegd dat ik het, op mijn tocht hiernaar toe, bijna niet gehaald heb. En dat ik u dat ten dele verwijt. U zal beslist wel op de hoogte zijn van het feit dat ik op de Mechelsesteenweg gedomicilieerd ben en dat ik mij graag op de fiets door onze o zo mooie, in de toekomst hopelijk autoluwe stad, begeef.

Deze avond verliep het niet anders. Maar, op weg hier naartoe heb ik mij weer als een volleerd circusartiest moeten bewegen om overeind te blijven tussen de kraters die er zich bevinden in het wegdek van de Mechelsestraat. Het lijkt wel of u bij de herdenkingsplechtigheden van de eerste wereldoorlog aldaar een aantal bombardementen hebt willen simuleren. Sta mij toe u uit te nodigen om gezamenlijk met uw fiets na de volgende gemeenteraad een aantal keren over die stenen te dokkeren, en ik ben ervan overtuigd dat u daarna al uw organen weer perfect zult weten te situeren. Ook uw hart. Ik hoop het. Uw hart voor de fietser.

Maar bon, ik ben hier, ik ben hier geraakt, en ik ben hier graag, want ik waardeer het ten zeerste dat u mij in de bloemen wil zetten. Ik waardeer het dat u hebt opgemerkt dat mijn debuutroman ‘Woesten’ in de prijzen is gevallen en dat hij nu ook de neus aan het internationale venster lijkt te gaan steken. Een grote waardering van mijn gewone stadsgenoten, lees: de burgers,  was mij de afgelopen maanden reeds ten deel gevallen, maar nu laat u, de leiders van deze stad, de waarde dames en heren van het Lierse Stadhuis, ook uw appreciatie blijken door hier voor en met mij het glas te willen heffen. Ik waardeer dit oprecht, het is een groot hart onder de riem voor iedere man of vrouw die zich op het gladde pad van de kunsten begeeft, wanneer men zich gesteund weet en geliefd is in de eigen stad. Dat ik geen Lierenaar ben van origine en hier toch dit eerbetoon mag ontvangen, bewijst dat u het derde punt van hoofdstuk tien op bladzijde eenentwintig van uw bestuursakkoord, wel degelijk ter harte neemt. Er staat daar immers: (en ik citeer) succesvolle inburgeraars worden in de bloemen gezet. Bij deze.

Ik ben bovendien zeer opgetogen dat ik in datzelfde akkoord, dat ruim vierentwintig bladzijden telt, twee volle bladzijden mag lezen met betrekking tot cultuur. Twee op vierentwintig, dat betekent één twaalfde. Ik ben een eenvoudige ziel, een auteur, dat weet u, en ik ben wat economische inzichten betreft, wellicht de minst ontwikkelde in dit gezelschap, maar stiekem durf ik dan te dromen, en nu zelfs hardop: één twaalfde van de tekst is dus ook één twaalfde van het budget. Voor een stad als Lier moet dat wel al wat betekenen, en dan droom ik verder en zie ik volwaardig bezoldigde mensen staan in het leescafé van onze bibliotheek, die prachtige ontmoetingsplaats, dan zie ik op een dag een stadsdichter voor die Schone Stede aan de Nete. Hierbij doel ik niet op mezelf. Er zijn er anderen die van een betere pen voorzien zijn dan ik, om deze nobele letterenaangelegenheid op zich te nemen.  Ik droom nog meer … van voorleesparcours in de binnenstad, van een kortverhalenronde in huiskamers, van een poëziewandeling in het stadspark, van een limericksfestival, van een bordeel vol sonates . Moest ik mij vergissen wat het budget betreft, vergeef het mij, ik heb alvast duidelijk gemaakt dat ik nog dromen heb. Ik ben auteur, weet u wel.

Maar ik ben er van overtuigd dat u de jaren die nog komen, zinvol zal gebruiken om van onze stad een oord te maken waar kunstenaars, van allerlei slag steeds hun ding mogen doen en een veilig onderkomen vinden. Laat Lier alstublieft die gezellige stad blijven, met dat unieke historische patrimonium, dat bruisende verenigingsleven, die gezonde diversiteit, met al die vrolijke, lachende mensen die steeds weer naar buiten komen als Lier plezier maakt.

Laat Lier alstublieft de stad blijven van de schone volksfiguur, gecreëerd door onze literaire patroonheilige, hier onlangs nog postuum gekroond. Het Lier van Pallieter. De jonge kerel die de dag plukte, die door de regels heen keek en in de Nete sprong, zonder angst voor een gasboete.

Zo ’n Lier zal altijd leven.

Ik dank u hartelijk voor uw aandacht.