Aanbeveling voor een nog beter leven

Ik beveel u een dag aan zoals ik gisteren had.
Een dag als geen ander, als geen ooit te voren, als geen nog te verwachten.
Een dag uit de duizend.

Ik liep door de stad.
Die stad met haar torens en haar wachters,
haar tekens en seinen,
haar slogans en runen,
haar wit gekalkte lijnen op het zwarte asfalt,
om ons te leiden, te laten glijden, te misleiden, te laten berijden door haar heersers.

Maar ook een park in die stad,
zo een met bomen,
jawel,
en met struiken, en paden, en gras, groen gras
in banen gestreken,
of gevouwen,
of geplooid,
of wat doet men eigenlijk met gras.

Op een bank een vrouw, een mooie, ranke vrouw,
ze was gehuld in zijden stoffen,
zacht doorzichtig,
ik zag haar borsten,
ik zag haar heupen,
ik zag wat er tussen die heupen te beleven viel,
iets zwart en zacht,
iets warms en ongekend mocht ik vermoeden.

Zij wenkte mij, met een wufte beweging van haar hand,
en zij plaatste mij naast haar op die bank.
Ik wist niet wat ik deed.
Het overkwam mij, daar in dat park.

Ik was gezeten naast die vrouw,
zij legde haar hand op mijn dij,
alsof zij zeggen wou, wees kalm, bedaar en open u voor mij.

Maar ik ben een man van deze tijd,
ik drink koffie uit capsules,
heb slim en fit ondergoed aan,
loop rondjes voor mijn buik
beklim heuvels met veel te hippe fietsen
voel drie keer daags de bronst in mijn liezen.

En dan legt zo’n vrouw haar hand op mijn dij,
dus keer ik mij,
kijk haar aan met het volste verlangen dat in mij wroet en wringt,
en zie plots dan
haar ogen.
Ze zijn glazig, geblonken,
spiegels,
ik zie mij  en vooral haar medelij.

Zij staart in mijn gedachten en ontwaart de burcht die ik zelf heb gebouwd.
Eigenhandig moet je weten,
met zwoegen en zweten,
met winsten en marges,
met procenten en renten,
en groei, nog steeds groei, en groeier en groeist.
Schrap maar die banen,
laat het volk maar betalen,
zet maar je zool, de zool van je laars
op bestoften, verminkten, gekwetsten,
beschonken in de gracht van mijn burchten verzonken,
kom grijp nu die wijven en voer hen maar dronken,
ontsteek nu sigaren,
ik wil niet bedaren,
ik wil koketteren, presteren, verteren, discussiëren,
ja …  vooral discussiëren …
over gelijk, het grote gelijk, het grootste gelijk:
het onthoofden van mannen, het barsten van reactoren,
de winsten van banken, het verleggen van ringen,
het fijn bestoffen van de lucht, het veel te moeilijk scoren,
gele vlaggen, rode duivels, zwarte pieten,
kortom gelijk, het allergrootste gelijk.

Dat alles zag zij in mij,
zij bracht haar hand van mijn dij naar mijn hoofd,
duwde mij zacht voorover zodat ik knielde tussen haar benen.
Haar hand bleef mij leiden tot mijn gelaat in de groezelige warmte verdween.

Het was een vreemde tocht die langs mij heen streek,
een vreemde warmte,
die mij voerde langs bemoste standbeelden, oude gevels en verkoperde opschriften.
Uit de lucht daalden woorden neer, die ik zoende, vol overgave,
letters die langs mij heen streken en die ik beroerde met het vocht van mijn lippen,
zinnen die ik streelde met mijn tong.
Het was die vloed aan geschreven gedachten
die mij spoelde en spoelde en spoelde
tot ik weer bij zinnen kwam op die bank in het park.

Ik was alleen. Moederziel alleen.
Geen mens te bespeuren.
Ik keek naar het boek in mijn handen.
Ik klapte het dicht, stond recht en wandelde weg.

Zo’n dag beveel ik u aan.

Als de vrucht rijp is

Ze had tijdens het gemengde bord tapas de godganse tijd gerateld. Over zijn zus. En dat het nu tijd werd. Hoogtijd. De suikerbonen zouden wit uitslaan als ze nog langer in de kast zouden staan. Zelfs de draagzak zou niet meer in de mode zijn, een ander seizoen, weet je wel.
Er werd een nieuwe schotel gebracht, toast Schotse zalm met een berg garnalen. En dat ze dik was, als een olifant. Ze liep ernaar. Zag niemand dat dan. Die gynaecoloog kende zijn vak niet. Oelewapper. Het zou niet het eerste kind zijn dat scheef loopt omdat het te lang opzit.
Dat was het moment waarop ik opkeek. Toen ze scheef loopt had gezegd. Mijn blik dwaalde van mijn boek naar haar. Zij die ratelde. Spichtige kop, konijnentanden, een glitterende Pink-T-shirt die iets gevangen hield wat wellicht haar borsten moesten zijn. Een breugelplank werd ook nog bijgeschoven.
‘Zo ‘n moederkoek kan verzuren,’ ging ze verder, ‘dan is mijn petekind dood, nog voor hij op zijn tractor van Gardentoys heeft gezeten.’
Het begon hem teveel geworden. Zoveel was duidelijk. Hij boerde en schoof toen de volledige wildpastei op zijn bord, naast de toren zalmsnippers op het bed van rucola. En nog een paar bouletten. Hij droeg een petje van de Chicago Bulls. Zijn bruine joggingbroek spande om zijn gigantische billen. Hij paste met moeite in de terrasstoel. Menige breugeltafel achter de kiezen, zo leek me.
´Kunt gij niks doen, ´t is uw zus. Gij kent ze ‘t best.’ Ze keek hem aan.
Toen zei hij het. Met een zeker gewicht. ´Pas als de vrucht rijp is, komt ze ‘r uit.’ Het klonk haast wetenschappelijk. Er parelde kriekensap aan zijn sik. Hij keek haar triomfantelijk aan. Want ze zweeg. Eindelijk zweeg ze.
Ik wenkte snel de ober en vroeg de rekening. Soms kan een mens niet zeker genoeg zijn.